(0165) 398 888 info@trivers.nl
Selecteer een pagina

Illustratie hand-in-hand

Wat is Paniek?

Ieder kind is wel eens bang. Bang om de ouders kwijt te raken, bang voor die grote hond, bang in het donker of bang voor die toets die er aan komt, etcetera. En dat geeft niet, zolang het maar om kan gaan met de angst, er niet helemaal door overspoeld wordt en de angst het kind niet belemmert in het dagelijkse doen en laten.
Angst kan ook een belangrijke signaalfunctie hebben. Het leert kinderen voorzichtig en alert te zijn op dat hoge klimrek, in het contact met vreemden, bij het gebruik van lucifers, enzovoort. Maar angst kan soms ook verlammend werken, het functioneren van het kind verstoren of tot paniek leiden. In dat geval kan er sprake zijn van een angststoornis. Problemen met angst zijn de meest voorkomende klachten bij kinderen met psychische problemen. Paniek is een specifieke vorm van angst. De eerste paniekaanval bij kinderen is over het algemeen het gevolg van een confrontatie met iets waar het kind bang voor is. Dit kan bijvoorbeeld een spin zijn, de angst te moeten spugen in de klas, een onbekende die het kind aanspreekt of spanning voor een toets. Ook normale lichamelijke gevoelens kunnen de trigger zijn voor de paniekaanval. De angst kan best terecht zijn, maar de paniek staat niet in verhouding tot de angst. Kinderen moeten voorzichtig zijn in het contact met onbekenden, ziek worden in de klas is naar en spanning voor een toets is normaal. Maar deze zaken hoeven niet voor totale paniek te zorgen. Het kind is bang, de angst overspoelt het kind en zo ontstaat de paniek. Omdat een paniekaanval gepaard gaat met veel lichamelijke signalen, die op zichzelf als zeer naar en beangstigend worden ervaren, kan de paniekaanval er voor zorgen dat boven op de angst die het kind al ervaart, ook nog eens de angst voor de paniekaanval zelf komt. De angst groeit hierdoor. Kinderen die een paniekaanval hebben, geven aan bang te zijn de controle over hun lijf kwijt te raken of iets ergs te mankeren. Soms geeft de paniekaanval zelfs de angst dood te gaan. Na een eerste paniekaanval zien we dat kinderen in een vicieuze cirkel belanden. Ze worden bang dat de paniekaanval zich zal herhalen en juist door deze angst kan de paniek weer de kop opsteken. Zo houdt de paniek zichzelf in stand. We spreken in dit geval van anticipatie-angst: angst voor de angst. Kinderen gaan vaak ook datgene wat de paniekaanval heeft opgeroepen vermijden, waardoor de angst de kans krijgt nog meer toe te nemen. Want door vermijding krijgt het kind niet de kans te ervaren dat de situatie die het vreest, eigenlijk wel mee valt en dat de paniek de volgende keer best uit kan blijven. Wanneer een kind langere tijd last heeft van paniekaanvallen zien we vaak dat het steeds meer bijkomende klachten krijgt. Door de angst en het vermijdingsgedrag, wordt het kind onzeker en somber. Het vinden van sociale aansluiting wordt ook steeds moeilijker wanneer het kind veel situaties vermijdt. Een kind dat last heeft van paniekaanvallen kan huizenhoog opzien tegen een bezoek aan vrienden, op kamp gaan of een feestje.

Kenmerken

Iemand met een paniekstoornis heeft last van terugkerende, onverwachte angstaanvallen. Een paniekaanval is een golf van intense angst die heel plotseling kan ontstaan en binnen enkele minuten een piek bereikt. De aanval kan ook ontstaan wanneer iemand al angstig is. Onderstaande symptomen kunnen voorkomen bij een paniekaanval:
– hartkloppingen
– trillen of beven
– transpireren
– benauwdheid
– misselijkheid of maagklachten
– duizeligheid
– angst voor controleverlies
– een onwerkelijk gevoel
– koude rillingen
– angst om dood te gaan
Er is sprake van een paniekstoornis als tenminste een van de paniekaanvallen is gevolgd door een periode (van minimaal een maand) met de volgende paniekstoornis symptomen
– Het kind is steeds bezorgd over het krijgen van een nieuwe paniekaanval of de
gevolgen daarvan
– Er is sprake van een aanzienlijke gedragsverandering. Het kind vermijdt bijvoorbeeld
openbare ruimten en onbekende situaties om een paniekaanval te voorkomen.

Oorzaken

Bij het ontstaan van een paniekstoornis speelt erfelijkheid een rol. Kinderen van een ouder met een paniekstoornis hebben meer kans dat ze zelf ook een paniekstoornis krijgen. Ze erven de aanleg voor een paniekstoornis van hun ouders. Bij sommige kinderen treedt de eerste paniekaanval op na een ingrijpende gebeurtenis of aanhoudende spanningen. In combinatie met een erfelijke gevoeligheid kan dit leiden tot het ontstaan van een paniekstoornis. Ook lijken kinderen die in een angstige omgeving opgroeien een grotere kans hebben om een paniekstoornis te krijgen. Bij meisjes/vrouwen komt de paniekstoornis drie keer zo vaak voor als bij jongens/mannen. Ook ontstaat een paniekstoornis meestal in de pubertijd. (Vrouwelijke) hormonen hebben invloed op een paniekstoornis, al weten we niet precies hoe het werkt. Drankjes met cafeïne erin, zoals koffie, thee en cola, kunnen angsten uitlokken of erger maken. Dat geldt ook voor drugs, ook softdrugs zoals hasj en alcohol. Er is veel onderzoek gedaan naar hoe de hersenen werken van mensen met een paniekstoornis. In de hersenen regelen ‘boodschappersstoffen’ (neurotransmitters) gevoelens zoals angst of somberheid. Uit onderzoek weten we dat bij een paniekstoornis de boodschapperstoffen voor angstgevoelens uit balans zijn.

Behandeling

Bij de behandeling van kinderen met paniekaanvallen wordt bijna altijd gekozen voor cognitieve gedragstherapie. Cognitieve gedragstherapie bij kinderen bestaat meestal uit de volgende onderdelen. In de eerste plaats wordt het kind en de ouders informatie gegeven over wat paniekaanvallen zijn (psycho-educatie). Wanneer het kind een paniekaanval goed kan herkennen, weet wat het is en dat het geen kwaad kan en dat het na een paar minuten weer verdwijnt, dan wordt de aanval al iets minder beangstigend. Daarnaast worden ontspanningsoefeningen geleerd. Het kind leert hoe hij/zij door middel van het ontspannen van bepaalde lichaamsdelen, bepaalde sensaties die bij de paniekaanval horen kan voorkomen of verminderen. Niet alleen worden de sensaties hierdoor minder vervelend, maar het geeft ook een gevoel van controle. Daarbij hoort ook het leren focussen op de omgeving en minder op de gevoelens tijdens de paniekaanval en het zoeken van afleiding. Het derde onderdeel van de therapie betreft het aanpakken van de gedachten die de paniekaanval oproepen of in stand houden. Het kind wordt gestimuleerd zich af te vragen: “klopt het wat ik denk, is het echt waar?” en “Als wat ik denk niet waar is, wat kan ik dan beter denken.” Nu is dit natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan, want veel kinderen weten best – wanneer de paniek weer weg is – dat hun gedachten niet kloppen. Maar door hier goed over na te denken en vooral ‘helpende gedachten’ (“ik hoef niet bang te zijn”, “Ik ga niet flauwvallen”, “Het gaat zo weer weg”, “Ik kan dit”, “als ik ontspan voel ik me beter”, “Ik denk aan iets leuks” ) te verzinnen op een moment dat er geen sprake is van paniek, wordt het wel makkelijker deze gedachten op te roepen tijdens een paniekaanval. Het laatste onderdeel van de therapie betreft vooral het aanpakken van de anticipatie-angst en het vermijdingsgedrag, oftewel blootstelling aan dat waar het kind bang voor is. Alleen zo kan het kind ervaren dat hij/zij kan omgaan met de situatie en dat de gevreesde situatie eigenlijk best meevalt. Vaak gebeurt dit met behulp van een stappenplan, waarbij begonnen wordt met een situatie die het kind maar licht beangstigend vindt en er toegewerkt wordt naar de situaties die als echt beangstigend worden ervaren. Daarnaast wordt het dag-nachtritme en het voedingspatroon bekeken en eventuele verbeteringen hierin geadviseerd. Bij 70 tot 80 procent van de patiënten verminderen of verdwijnen de spontane paniekaanvallen na de behandeling.

Contact opnemen

Hoe wij omgaan met je persoonsgegevens kun je lezen in ons Privacy beleid